|
De mens bestaat uit ongeveer zo'n 65.000.000.000.000 cellen waarvan 95.000.000.000 in onze hersenen... De cel is de kleinste eenheid die alle
elementaire levenseigenschappen bezit, zoals stofwisseling, vermenigvuldiging,
differentiatie en prikkelbaarheid. Naar schatting heeft de mens zo'n 65.000.000.000.000
cellen waarvan alleen al 95.000.000.000 in onze hersenen. Het aantal cellen
in ons lichaam is ongeveer zo groot als het aantal hemellichamen in het
heelal. Vermenigvuldiging: de meeste meercellige organismen ontstaan uit één cel, welke zich zeer vele malen deelt voordat een organisme ontstaat. Hierin treedt altijd groei op. Onder differentiatie wordt verstaan het vermogen om uit de ene vorm de andere te laten ontstaan, terwijl regeneratie het herstelproces aanduidt. rikkelbaarheid ten slotte is het vermogen om op prikkels te reageren. Deze levensverrichtingen van de cel spelen zich af op microscopisch niveau. Cellulaire structuren Alhoewel cellen de meest uiteenlopende vormen kunnen hebben, afhankelijk van de richtingen waarin ze zich gespecialiseerd hebben, ligt toch aan elke cel een algemeen schema ten grondslag. Men kan de volgende componenten onderkennen: - de celwand; De celwand bestaat uit een zeer dunne laag van regelmatig gerangschikte vet en eiwitmoleculen; sommige stoffen passeren deze wand gemakkelijk, andere niet of nauwelijks. Organellen Van de vele organellen in het cytoplasma zijn vooral het endoplasmatisch reticulum, de mitochondriën, het Golgi-apparaat en de lysosomen belangrijk. Het endoplasmatisch reticulum bestaat uit een doolhof van concentrische holten, waarin de productie van dü eiwitten plaatsvindt. De mitochondriën, langgerekte structuurtjes, bestaan uit een ingewikkeld stelsel van dubbelmembranen. De voornaamste taak is het leveren van energie voor de celhuishouding. Het Golgi-apparaat dient onder andere als voorraadschuur van materiaal voor de celmembranen. De ronde lysosomen bevatten enzymen, die cellulaire bestanddelen kunnen afbreken. Chromosomen Chromosomen zijn kernlissen; draadvormige
lichaampjes die in de celkern voorkomen. Zij zijn opgebouwd uit genen,
die bestaan uit stukken desoxyribonucleïnezuur (DNA). Het totaal
aan genen wordt genoom genoemd. Iedere lichaamscel, behalve de cellen die worden aangetroffen in de eitjes van de vrouw of het sperma van de man, bevatten 22 bij elkaar passende paren van zogenoemde autosomale' chromosomen (zoals de leden van een chromosomenpaar worden genoemd); elk chromosomenpaar verschilt qua uiterlijk van elk ander paar. Een volledig chromosomencomplex van 46 chromosomen bevat twee zogeheten geslachtschromosomen: bij vrouwen twee X-chromosomen, en bij mannen een X- en een Y-chromosoom. Aangezien ieder individueel chromosoom
is opgebouwd uit duizenden microscopisch kleine genen, gerangschikt volgens
een vaste, nauw luisterende volgorde, is het nauwelijks verrassend dat
deze genenketen soms onderbroken is of dat er weleens chromosomen ontbreken,
dubbel aanwezig zijn, of zich niet op hun plaats bevinden. DNA Genen, stukken DNA, bepalen niet alleen de uiterlijke vorm van een organisme, maar ook het proces van in elkaar zetten. DNA is een enorm molecuul bestaande uit twee lange ketens van zogeheten nucleotiden die spiraalsgewijs om elkaar zijn gedraaid. Onderdeel van elk nucleotide is een van de vier stikstofhoudende basen met de codenamen A (Adenine), G (Guanine), C (Cytosine), en T (Thymine), die in twee ketens paren vormen. De volgorde van deze basenparen bepaalt de erfelijke eigenschappen. Hoe uniek die volgorde is, blijkt uit
het feit dat een stukje van vijftien basenparen al een miljard verschillende
combinaties mogelijk maakt. Het menselijk DNA bestaat uit 3,5 miljard
basenparen. Levende cellen kunnen soms wel vijf miljoen
eiwitten per minuut aanmaken. De een moet naar de celkern, de ander naar
een mitochondrion. Weer een ander eiwit, bijvoorbeeld een spijsverteringsgenzym,
moet de cel verlaten om elders zijn werk te verrichten. Het bijzondere
is dat elk eiwit een moleculair adreslabel draagt. Aan de hand van dat
label weet de cel wat de eindbestemming van een eiwit is. Enzymen in het endoplasmatisch reticulum
bouwen suikergroepen aan het eiwit. Of ze verbinden aminozuren, de bouwstenen
van een eiwit, via zwavelbruggen. Komt het eiwit uit het endoplasmatisch
reticulum, dan zorgt een ander adreslabel ervoor dat het eiwit verder
wordt vervoerd, naar het mitochondrion of een lysosoom (de recycling-afdeling
van de cel). Zo wordt een eiwit door de cel geloodst via een soort postsysteem
dat werkt aan de hand van adreslabels. Humaan genoom project Het Humaan Genoom Project heeft zich tot
doel gesteld om vóór het jaar 2005 het totale menselijke
genoom, dat uit meer dan drie miljard basen bestaat, in kaart te brengen.
Aan dit project werken negenduizend wetenschappers in 36 landen. Het onderzoek gebeurt veelal via de zogenaamde
EST-strategie; die richt zich niet op het DNA in de celkern, maar op het
boodschapper-RNA. Dit is een kopie van een stuk erfelijke informatie dat
zich naar het cytoplasma begeeft en daar wordt vertaald in eiwit. Ontcijfering
menselijk chromosoom 22 Maar het aantal zal nog groeien omdat
de software-programma's die tussen de letterbrij naar genen zoeken, niet
feilloos werken. In totaal schatten de onderzoekers dat chromosoom 22
een kleine 1000 genen bevat. Gentherapie Celdeling Uitgaande van één cel, de bevruchte eicel, ontwikkelen zich door deling weefsels, organen en ten slotte het gehele organisme. Bij vermenigvuldiging van een cel ontstaan dochtercellen die identiek zijn aan de moedercel. In de kern van de cel zijn de erfelijke eigenschappen opgeslagen: de chromatine. Bij de deling rangschikt de chromatine zich tot een lint, terwijl de kernmembraan verdwijnt. Bij de celdeling kunnen we een aantal stadia onderscheiden waarvan het tweede stadium (metafase) gekenmerkt wordt door een overlangse splijting van de chromosomen. In het derde stadium (anafase) bewegen de beide helften van ieder chromosoom zich naar één kant van de cel, en dit proces eindigt met een samenklontering van de beide groepen chromosomen tot nieuwe kernen. De cel zelf wordt nu gekliefd en het proces
eindigt met het opgaan van de chromosomen in de chromatine, terwijl dan
ook de membraan van de kern en de cel gevormd wordt (telofase). De moedercel
zet zich op deze wijze voort in de beide dochtercellen. De geslachtscellen ontwikkelen zich op enigszins andere wijze, daar bij het samenstellen van mannelijke zaadcel en vrouwelijke eicel cellen zouden ontstaan met het dubbele aantal chromosomen. De dubbele chromosomen van de primitieve geslachtscellen worden gesplitst, zodat de dochterkernen elk maar de helft van het aantal chromosomen in de moederkern bezitten. Men noemt dit het haploïde aantal, in tegenstelling tot het diploïde aantal chromosomen dat zich in de andere cellen bevindt. De op deze wijze gehalveerde cellen worden tot zaadcel (spermatocyt) bij de man en de eicel (oöcyt) bij de vrouw. Bij de bevruchting verenigen beide cellen zich en ontstaat wederom een cel met een normaal aantal chromosomen. |